Dit is een gastcolumn van gastcolumnist H
Eén van de meest gebruikte, maar niet altijd even adequaat herkende drogredenen is de zogeheten ‘reductio ad hitlerum’. De term is bedacht door de filosoof Leo Strauss in potjeslatijn als afleiding van de redeneertechniek ‘reductio ad absurdum’ (iets waar mijn goede vriend SBD in uitblinkt).
De reductio ad hitlerum houdt in dat iets of iemand met de Führer of de nazi’s wordt vergeleken, waarmee een verdere inhoudelijke argumentatie overbodig wordt. Korter gezegd: het is een manier om iemand te besmeuren. Hitler is, zeker in de Westerse wereld, zo’n beetje de incarnatie van het absolute Kwaad. Iedereen heeft dezelfde associaties met Hitler: Jodenvervolging, oorlog en tientallen miljoenen doden onder een verschrikkelijke dictatuur.
Iets of iemand daarmee vergelijken is dus heel erg om te doen. Nu ligt de kracht van een vergelijking in zekere zin in de herhaling, maar we hebben er hier in ons land wel een handje was om te pas – maar vooral te onpas – de vergelijking met de Tweede Wereldoorlog uit de kast te trekken. Op den duur leidt dat bij veel waarnemers tot gegaap, te meer omdat de frequentie waarmee de oorlog, de nazi’s en Hitler met de haren bij elke discussie wordt gesleept, tot een enorme inflatie van de reductio ad hitlerum leidt.
Het gebruik van de reductio ad hitlerum werd door Pim Fortuyn bijvoorbeeld als onderdeel van het algemeen bekende “demoniseren” geschoven. Fortuyn werd zelf meermalen vergeleken met Hitler, de nazi’s of Jean-Marie le Pen. Dit laatste is een indirecte reductio ad hitlerum. Fortuyn = Le Pen = extreem-rechts = Hitler. In de publieke ruimte (ik wilde hier eigenlijk publieke debat zeggen, maar debat vindt er nauwelijks plaats) is de persoon die tegenwoordig het meest met de reductio ad hitlerum te maken krijgt, haast vanzelfsprekend Geert Wilders. (de intelligentere lezers onder u hadden deze associatie uiteraard al gemaakt). Door hem als fascist, racist en extreem-rechts (zijn moslims tegenwoordig een ras, Alexander Pechtold?) af te schilderen en hem een gevaar voor de democratische rechtsorde te noemen, wordt de reductio gretig ingezet door zijn politieke tegenstanders. En niet om het volk te waarschuwen of een goed doortimmerde historische analyse te maken en op basis daarvan een vergelijking te maken. Door de reductio ad hitlerum in te zetten, wordt een inhoudelijk debat uit de weg gegaan. De tegenstander wordt besmeurd, in de hoek gezet – en niet met een puntmuts met “ezel” erop. Op deze puntmuts staat heel iets anders. En daarmee houdt eigenlijk elke discussie op.
Omgekeerd – en dat is nog wel het meest verbazingwekkende – doet Wilders het zelf ook. Door de Koran te vergelijken met ‘Mein Kampf’ en het een fascistisch boek te noemen, zet Wilders de reductio ad hitlerum die zo vaak tegen hem wordt gebruikt, zelf ook in. Maar wellicht dat hij tijdens zijn proces, met een feitelijke en/of wetenschappelijke onderbouwing komt van deze vergelijking. In dat geval is het uiteraard geen ‘reductio ad hitlerum’ meer.
Gerelateerd aan de reductio ad hitlerum is ‘Godwin’s Rule’, de regel die stelt dat naarmate een discussie langer duurt (bijvoorbeeld op internetfora) de kans steeds groter wordt dat iemand een vergelijking maakt met Hitler, de nazi’s of WO II. En dat is ontegenzeggelijk waar. Of het nu om de opbrengst van tv-actie voor Haïti gaat: “die kopen binnenkort lebensraum op in de vorm van IJsland, of de Antillen”, Geenstijl.nl, 22-01-10, vierde comment (!!!) of een stukje dat Rotterdam te ongezellig zou zijn, “met dank aan de duitsers”, Spitsnieuws 22-01-10, 7e comment (en dan verwijzen comment 3 èn 4 naar het bombardement van mei 1940). Bij een opiniestuk met als titel “Een jaar Obama” (Volkskrant, 22-01-10) duurt het langer, tot comment 36 totdat iemand – uit de lucht gegrepen – ineens opmerkt: “We zijn weer thuis, waarom woningen voor joden als ze net zo goed in barakken kunnen slapen.”
De Telegraaf (een krant die ook nu nog regelmatig de houding tijdens WO II onder de neus gewreven krijgt) heeft in haar reglement voor commentaren het volgende opgenomen: “Vergelijkingen met personen als Hitler, Dutroux, NSB-ers, Nazi's, Osama, Taliban of iets dergelijks, worden niet geplaatst”.
De Britten hebben hier een prachtige en beeldende omschrijving voor: “playing the nazi card”. Let er maar eens op: de reductio ad hitlerum en de nazi-kaart zijn overal.
vrijdag 29 januari 2010
donderdag 28 januari 2010
Hoe ik niet door een groot literair werk heen kwam
Catch 22. Het boek staat al een tijdje hier rechts in de kantlijn als het boek dat ik aan het lezen ben. Ik moet eerlijk bekennen, ik kom er niet doorheen. Ik ben nu op pagina 86. Het is geen dun boek, dat Catch 22. Mijn versie telt 475 pagina’s. Nadat ik het boek in bad heb laten vallen en weer heb laten drogen op de verwarming is het zelfs dikker geworden. Fysiek dan. Ik begrijp de strekking van het boek, ik ben tot de titelverklaring gekomen, maar het boek grijpt me niet. Ik heb de samenvatting op wikipedia gelezen om te onderzoeken of ik misschien een diepere laag heb gemist. Maar ik vrees van niet. Op zich snap ik de aanklacht tegen de bureaucratie, de ondergeschiktheid van het individu en de waanzin van de oorlog. De parallel met het proces van Kafka, 1984 van Orwell snap ik, maar ik weet verder gewoon niet zo goed wat ik met het boek moet. Ik ben principieel tegen het niet uitlezen van boeken. Ik heb me zelfs door Rumeiland van Vestdijk geworsteld omdat ik vond dat ik het uit moest lezen. Maar of ik dit ga uitlezen. Ik zal het nog één keer een paar uur een kans geven, als ik het dan wat vind worden lees ik verder…
Lang leve de luchtvaart!
Ik schreef het van de week al eerder: wie veel reist kan veel verhalen. Gisteren had ik mijn vakantiefoto’s meegenomen naar werk en er viel inderdaad veel te verhalen, maar in het geval van Nieuw Zeeland kun je de foto’s beter voor zich laten spreken. Daar komt bij dat ik driekwart van de namen niet kan onthouden (Whakapapa, Waitangi, Punakaiki, Rotorua, op een gegeven moment heette voor mij alles Wakkitikki), dus dan is het verhaal meteen ook minder interessant: “Ja, dit is dus weer een andere waterval, bij een plaats in de buurt met een rare naam, daarna zijn we doorgereden naar een berg met een park waar je kon wandelen en een krater kon zien met een moeilijke naam. De Maori varen in een bepaald soort boot, gemaakt van een heel bijzondere boomsoort waarvan de naam me ontschoten is.” Nu zeiden we gewoon af en toe ‘Mooi hè?’, ‘Ja, heel mooi.’
Om al deze mooie dingen te zien moet je wel een behoorlijk eind vliegen, zonder overstap zo’n 25 uur. Met overstap was het in ons geval dertig uur. Op nu.nl las ik dat Air New Zealand ligplaatsen wil gaan aanbieden in de economy class. Blijkbaar vinden veel mensen vliegen niet zo prettig en wil de maatschappij het op deze manier wat aantrekkelijker maken. Ik begrijp niet waar dit voor nodig is, vliegen is wat mij betreft de mooiste manier van reizen die bestaat. Ik zou het zelfs mijn lievelingstransportmethode willen noemen. Ik zal uitleggen waarom.
Vliegen is in de eerste plaats een zeer efficiënte manier van reizen: Je kan in relatief korte tijd op een verre bestemming komen. Dat doet geen enkel ander vervoermiddel het vliegtuig na. Ik geef toe, het is soms best een lange zit, maar ik vind dat je niet mag klagen als je ziet wat je ervoor terug krijgt. Met de trein naar Wenen duurt net zo lang als met het vliegtuig naar New York, dus wat is nu eigenlijk een lange zit? Vroeger ging ik altijd met de auto op vakantie, ik geloof dat ik pas op mijn twintigste mijn eerste vlucht maakte, en heb vele weken van mijn jeugd in files doorgebracht: onderweg naar de camping in Zuid-Frankrijk, in de bloedhitte urenlang voor een tunnel staan wachten, met je bezwete hoofd uit het raam zodat je de gassen van de vrachtwagen naast je over je frisse longetjes zoog; naar de wintersport, altijd op hetzelfde punt vlak na de Oostenrijkse grens, waar de weg een trechter vormt en er liefst op zwarte zaterdag een wegopbreking is. Nee, dan liever het vliegtuig. Je stapt in en je hoeft verder niets te doen, alleen maar zitten, kijken, slapen, genieten. Vriendelijke blonde dames in opgeruimde blauwe pakjes brengen je met een glimlach eten, drinken en hete, natte doekjes met citroen, en het enige waar je je nog druk over hoeft te maken is welke film je uit het overvloedige assortiment moet kiezen.
Ondertussen heb je niet de stress van het kaartlezen. Niemand die roept “Moet ik al afslaan?”, en dan vervolgens afslaat, terwijl daarnaast iemand anders, met de kaart op schoot roept “Nee, nog lang niet” en “Waarom sla in je nou in hemelsnaam tóch af? Ik zeg toch dat je nog minstens vijf kilometer deze weg moet volgen?”, waarna de bestuurder er achterkomt dat hij een doodlopende weg is ingeslagen en de auto moet keren. De auto waar ook nog een caravan achter hangt. (Waarop iemand mompelend opmerkt “Daar had je bij de ANWB toch een cursus voor gevolgd?”) Dit alles uiteraard zwetend. Nu zal dit met de Tomtom tegenwoordig minder vaak voorkomen (verdwalen, het zweten is helaas niet verholpen met de Tomtom), maar mij heeft het wel genezen van lange autoritten.
Nee, doe mij maar een fijne vliegvakantie. Je komt ermee op plekken waar je anders nooit zou komen en het enige dat je hoeft te doen is achterover leunen en je laten bedienen. Je betaalt er wel flink voor, maar dat geld spaar je dan weer uit aan een dure psycholoog die nazorg en/of relatietherapie moet geven. Volgende stop: Mallorca!
Om al deze mooie dingen te zien moet je wel een behoorlijk eind vliegen, zonder overstap zo’n 25 uur. Met overstap was het in ons geval dertig uur. Op nu.nl las ik dat Air New Zealand ligplaatsen wil gaan aanbieden in de economy class. Blijkbaar vinden veel mensen vliegen niet zo prettig en wil de maatschappij het op deze manier wat aantrekkelijker maken. Ik begrijp niet waar dit voor nodig is, vliegen is wat mij betreft de mooiste manier van reizen die bestaat. Ik zou het zelfs mijn lievelingstransportmethode willen noemen. Ik zal uitleggen waarom.
Vliegen is in de eerste plaats een zeer efficiënte manier van reizen: Je kan in relatief korte tijd op een verre bestemming komen. Dat doet geen enkel ander vervoermiddel het vliegtuig na. Ik geef toe, het is soms best een lange zit, maar ik vind dat je niet mag klagen als je ziet wat je ervoor terug krijgt. Met de trein naar Wenen duurt net zo lang als met het vliegtuig naar New York, dus wat is nu eigenlijk een lange zit? Vroeger ging ik altijd met de auto op vakantie, ik geloof dat ik pas op mijn twintigste mijn eerste vlucht maakte, en heb vele weken van mijn jeugd in files doorgebracht: onderweg naar de camping in Zuid-Frankrijk, in de bloedhitte urenlang voor een tunnel staan wachten, met je bezwete hoofd uit het raam zodat je de gassen van de vrachtwagen naast je over je frisse longetjes zoog; naar de wintersport, altijd op hetzelfde punt vlak na de Oostenrijkse grens, waar de weg een trechter vormt en er liefst op zwarte zaterdag een wegopbreking is. Nee, dan liever het vliegtuig. Je stapt in en je hoeft verder niets te doen, alleen maar zitten, kijken, slapen, genieten. Vriendelijke blonde dames in opgeruimde blauwe pakjes brengen je met een glimlach eten, drinken en hete, natte doekjes met citroen, en het enige waar je je nog druk over hoeft te maken is welke film je uit het overvloedige assortiment moet kiezen.
Ondertussen heb je niet de stress van het kaartlezen. Niemand die roept “Moet ik al afslaan?”, en dan vervolgens afslaat, terwijl daarnaast iemand anders, met de kaart op schoot roept “Nee, nog lang niet” en “Waarom sla in je nou in hemelsnaam tóch af? Ik zeg toch dat je nog minstens vijf kilometer deze weg moet volgen?”, waarna de bestuurder er achterkomt dat hij een doodlopende weg is ingeslagen en de auto moet keren. De auto waar ook nog een caravan achter hangt. (Waarop iemand mompelend opmerkt “Daar had je bij de ANWB toch een cursus voor gevolgd?”) Dit alles uiteraard zwetend. Nu zal dit met de Tomtom tegenwoordig minder vaak voorkomen (verdwalen, het zweten is helaas niet verholpen met de Tomtom), maar mij heeft het wel genezen van lange autoritten.
Nee, doe mij maar een fijne vliegvakantie. Je komt ermee op plekken waar je anders nooit zou komen en het enige dat je hoeft te doen is achterover leunen en je laten bedienen. Je betaalt er wel flink voor, maar dat geld spaar je dan weer uit aan een dure psycholoog die nazorg en/of relatietherapie moet geven. Volgende stop: Mallorca!
woensdag 27 januari 2010
Het kán gewoon niet
Ik kijk uit naar de Olympische Spelen. Normaal gesproken ben ik geen groot sportvolger, maar de Olympische Spelen zijn heerlijk.
Tijdens de afgelopen zomerspelen had ik twee weken vakantie. Ik zat tussen een oude en een nieuwe baan in en had behoefte aan heel veel rust. Gewend aan vroeg opstaan zat ik elke ochtend rond zeven uur met een mok koffie in mijn badjas voor de tv. Tegen de tijd dat het zwemmen afgelopen was en de herhalingen van de nacht ervoor begonnen was ik klaar om te gaan douchen. Dan keek ik daarna tot naar de herhalingen, samenvattingen en achtergrondreportages. Ondertussen ruimde ik het huis wat op, plakte oude foto’s in, witte een muurtje, deed een dutje. Tegen vijf uur begonnen weer allerlei nieuwe sporten en met het bord op schoot keken we dan één of ander obscuur onderdeel van de atletiekwedstrijden. Er is weinig dat ontspannender op mij werkt dan zo mijn dag vullen.
Toch blijven de Olympische Winterspelen mijn favoriete winterspelen. Ookal heb ik geen van de daar beoefende sporten ooit zelf beoefend, ik voel me meer verwant met de wintersporters dan met de zomersporters. En dat terwijl ik niet van kou houd. Maar om onverklaarbare reden kan ik uren gefacineerd kijken naar rodelen, bobsleen en zelfs curling. En dan natuurlijk het georakel van Mart Smeets en zijn lelijke Noorse truien. Dan weet je dat er niets verandert is sinds vroeger.
Toen de Olympische Winterspelen van Lillehammer plaats vonden had mijn vader een ontstoken elleboog en kon daardoor niet werken. Hele dagen zat hij thuis tv te kijken. Voor een man die niet van sport houdt best bijzonder. Als ik dan thuis kwam uit school rond een uurtje of drie kreeg ik een enthousiast mondeling verslag van wat er die dag allemaal was voorgevallen in het biathlon, het langlaufen en het schansspringen.
Wat ik me van die winterspelen het beste herinner is Bart Veldkamp die vol ongeloof de tien kilometer van Johan Olav Koss gadesloeg. Halverwege de rit begon Veldkamp geloof ik met zijn schaatsen te smijten. Daarna hoorde de kijkers hem in de kleedkamer (de camera van de NOS stond voor de dichte deur) heel hard roepen dat 13.30.55 niet kon: ‘Het kán gewoon niet. Het kán gewóón niet.’ Geweldig was dat. Die race maakte zo veel indruk dat ik de tijd nu nog weet.
Ik denk dat als ooit zou blijken dat Johan Olav Koss toen, tijdens die race, doping zou hebben gebruikt, ik nooit meer in sportmensen zou geloven. Maar ik zie Koss er niet voor aan. Die race én de reactie van Veldkamp, blijft geweldig. De spelen van Lillehammer blijven mijn lievelingsspelen. Maar ik kijk uit naar Vancouver!
De Olympische spelen vinden plaats van 12 tot en met 28 februari in Vancouver. Via deze link is het schema te vinden.
Tijdens de afgelopen zomerspelen had ik twee weken vakantie. Ik zat tussen een oude en een nieuwe baan in en had behoefte aan heel veel rust. Gewend aan vroeg opstaan zat ik elke ochtend rond zeven uur met een mok koffie in mijn badjas voor de tv. Tegen de tijd dat het zwemmen afgelopen was en de herhalingen van de nacht ervoor begonnen was ik klaar om te gaan douchen. Dan keek ik daarna tot naar de herhalingen, samenvattingen en achtergrondreportages. Ondertussen ruimde ik het huis wat op, plakte oude foto’s in, witte een muurtje, deed een dutje. Tegen vijf uur begonnen weer allerlei nieuwe sporten en met het bord op schoot keken we dan één of ander obscuur onderdeel van de atletiekwedstrijden. Er is weinig dat ontspannender op mij werkt dan zo mijn dag vullen.
Toch blijven de Olympische Winterspelen mijn favoriete winterspelen. Ookal heb ik geen van de daar beoefende sporten ooit zelf beoefend, ik voel me meer verwant met de wintersporters dan met de zomersporters. En dat terwijl ik niet van kou houd. Maar om onverklaarbare reden kan ik uren gefacineerd kijken naar rodelen, bobsleen en zelfs curling. En dan natuurlijk het georakel van Mart Smeets en zijn lelijke Noorse truien. Dan weet je dat er niets verandert is sinds vroeger.
Toen de Olympische Winterspelen van Lillehammer plaats vonden had mijn vader een ontstoken elleboog en kon daardoor niet werken. Hele dagen zat hij thuis tv te kijken. Voor een man die niet van sport houdt best bijzonder. Als ik dan thuis kwam uit school rond een uurtje of drie kreeg ik een enthousiast mondeling verslag van wat er die dag allemaal was voorgevallen in het biathlon, het langlaufen en het schansspringen.
Wat ik me van die winterspelen het beste herinner is Bart Veldkamp die vol ongeloof de tien kilometer van Johan Olav Koss gadesloeg. Halverwege de rit begon Veldkamp geloof ik met zijn schaatsen te smijten. Daarna hoorde de kijkers hem in de kleedkamer (de camera van de NOS stond voor de dichte deur) heel hard roepen dat 13.30.55 niet kon: ‘Het kán gewoon niet. Het kán gewóón niet.’ Geweldig was dat. Die race maakte zo veel indruk dat ik de tijd nu nog weet.
Ik denk dat als ooit zou blijken dat Johan Olav Koss toen, tijdens die race, doping zou hebben gebruikt, ik nooit meer in sportmensen zou geloven. Maar ik zie Koss er niet voor aan. Die race én de reactie van Veldkamp, blijft geweldig. De spelen van Lillehammer blijven mijn lievelingsspelen. Maar ik kijk uit naar Vancouver!
De Olympische spelen vinden plaats van 12 tot en met 28 februari in Vancouver. Via deze link is het schema te vinden.
Labels:
Column,
Eef,
Spôgt,
Tv (hebben en kijken),
Vroegâh
dinsdag 26 januari 2010
Nooit meer vliegen
Wie verre reizen maakt kan veel verhalen. Er zijn maar weinig mensen in mijn omgeving die niet van reizen houden en als je vertelt dat je op vakantie gaat kijkt iedereen blij en gretig en roept ‘O waar naartoe en hoe lang?’ Hoe verder je gaat, hoe meer je hun blik ziet wegdromen. ‘O ja, daar zou ik ook wel eens naartoe willen, ‘ of ‘Ja, daar ben ik twee jaar geleden geweest, dan moet je echt ook daar en daar naartoe gaan.’ Toen wij naar Nieuw Zeeland gingen was het opvallend hoeveel vrienden en collega’s daar al geweest waren. Het is 25 uur vliegen, maar dat schijnt niemand als een belemmering te zien.
Dat is het natuurlijk wel. Want zeg nou zelf, vliegen is een verschrikking. Het is dat je ermee in landen komt waar je normaal niet zou komen, tenzij je gepensioneerd bent en tijd hebt om met een camper naar Amerika te gaan of met een boot naar Australië. De ellende begint eigenlijk al voordat je überhaupt op het vliegveld bent, namelijk wanneer je je koffer moet pakken. Bij veel vluchten mag je slechts één stuk kleine handbagage meenemen en één koffer inchecken. Niet veel als je een maand op reis gaat. Mocht je toch wat extra willen meenemen, dan mag je flink bijbetalen. Als je, zoals ik, moeite hebt met het maken van de schoenenselectie, dan kun je beter met een grote auto vol spullen naar Zuid-Frankrijk rijden. Dan kan je tenminste alles meenemen: een extra paar gympen voor als die andere vies worden, een paar pumps voor als je naar een mooi restaurant gaat, ook nog witte pumps voor als je dan die andere jurk aan wilt, je oude slippers voor als je blaren krijgt op die nieuwe, die ballerina’s die je al veel te lang hebt maar die zo lekker lopen en ook onder een rokje kunnen, hardloopschoenen voor als je ineens de geest krijgt, en natuurlijk je wandelschoenen voor als je de bergen in gaat. Alleen al voor schoenen heb je een extra tas nodig, en de kans is groot dat je op de plaats van bestemming ook nog schoenen wilt kopen, want er is daar een kiezelstrand en dan moet je waterschoenen aan, en ze verkopen espadrilles in alle kleuren en die kon je in Nederland nergens vinden, en iedereen blijkt van die leren Romeinse sandalen te dragen met van die bandjes tot boven je enkel (die je in Nederland zo lelijk vond maar hier, in deze omgeving, komen ze wel heel leuk uit) en ga zo maar door. Je kunt je voorstellen dat het inpakken van één koffer voor vier weken voor mensen zoals ik geen vrolijk begin van de vakantie is.
Vervolgens moet je de volgende dag in het holst van de nacht opstaan om op tijd op het vliegveld te zijn. Ik weet niet hoe het komt, maar volgens mij is Schiphol gesloten tussen twaalf uur ’s middags en twaalf uur ’s nachts, want je moet altijd op een onmogelijke tijd op om het vliegtuig te halen. Op zo’n tijdstip kan je ook niet met goed fatsoen aan vrienden of familie vragen om je even weg te brengen en dus ben je afhankelijk van een peperdure taxi. Het is een van mijn collega’s gebeurd dat de taxi vervolgens niet kwam opdagen en zij haar vliegtuig miste. Dat is ook een stressvrij begin van de vakantie. Als je lekker met de auto gaat kan dat in ieder geval niet gebeuren. Het kan natuurlijk dat je auto niet start, maar het missen van een vliegtuig zorgt toch voor beduidend meer vertraging. Als je dan op Schiphol aankomt moet je urenlang in de rij staan om je bagage in te checken. Wanneer dat dan eindelijk gebeurd is loop je nog twee uur te niksen bij de duty free shops, om daarna ondervraagd te worden bij de security (“Wat gaat u doen in Amerika? Heeft u uw ticket wel betaald?”) die daar ruimschoots de tijd voor neemt.
Mijn laatste vlucht was naar Amerika en de veiligheidsmaatregelen zijn verscherpt voor vluchten naar dit land. Dit betekende dat de security check twee keer zo lang duurde, maar toch begonnen de heren van Group 4 of Securitas of wat dan ook pas vlak voor de vlucht aan hun controle. Hierdoor had mijn eerste vlucht anderhalf uur vertraging, zodat ik in Chicago mijn aansluiting miste. Vervolgens werd ik in Chicago op een wachtlijst gezet voor een aansluitende vlucht. Op een schermpje kan je dan een lijst zien met het aantal mensen op de wachtlijst en het aantal beschikbare plaatsen. Een zenuwslopende toestand, maar nadat ik een paar keer buiten de boot viel had ik aan het eind van de avond een vlucht naar een ander vliegveld in de buurt. Mijn koffer was echter naar mijn oorspronkelijke bestemming gestuurd en mij werd geadviseerd om met de bus naar dit vliegveld te gaan om de koffer op te halen. Na veel omzwervingen op LAX (het meest overzichtelijke vliegveld van de Westerse wereld) vond ik eindelijk een busje dat mij naar het vliegveld kon brengen. Om half één ’s nachts kwam ik op het vliegveld aan en tot mijn verbazing was dit verlaten! Daar stond ik, moederziel alleen midden in de nacht op een leeg vliegveld. Dit was op zijn zachtst gezegd niet mijn finest hour. Gelukkig was daar een vriendelijke besnorde politieagent die voor mij een taxi heeft geregeld, anders was ik waarschijnlijk onder een stuk karton in slaap gevallen. Om twee uur ’s nachts kwam ik in mijn hotel aan, zonder koffer en met een enorme honger. De gebroeders Wright verwensend viel ik snikkend in slaap.
Nu heb ik het nog niet eens gehad over de sfeer in het vliegtuig, de temperatuur, de droge lucht, het gore eten, de irritante mensen, de beenruimte, de kosten, de jetlag, de luchtzakken en turbulentie, stinkende mensen, dikke mensen die half op je stoel zitten, kapotte koptelefoons en krijsende kinderen. Maar volgens mij heb ik mijn punt wel gemaakt. Volgende keer ga ik liever met de auto of de trein of zelfs met de fiets, van mij hoeft dit niet meer. Zuid-Frankrijk, here I come!
Dat is het natuurlijk wel. Want zeg nou zelf, vliegen is een verschrikking. Het is dat je ermee in landen komt waar je normaal niet zou komen, tenzij je gepensioneerd bent en tijd hebt om met een camper naar Amerika te gaan of met een boot naar Australië. De ellende begint eigenlijk al voordat je überhaupt op het vliegveld bent, namelijk wanneer je je koffer moet pakken. Bij veel vluchten mag je slechts één stuk kleine handbagage meenemen en één koffer inchecken. Niet veel als je een maand op reis gaat. Mocht je toch wat extra willen meenemen, dan mag je flink bijbetalen. Als je, zoals ik, moeite hebt met het maken van de schoenenselectie, dan kun je beter met een grote auto vol spullen naar Zuid-Frankrijk rijden. Dan kan je tenminste alles meenemen: een extra paar gympen voor als die andere vies worden, een paar pumps voor als je naar een mooi restaurant gaat, ook nog witte pumps voor als je dan die andere jurk aan wilt, je oude slippers voor als je blaren krijgt op die nieuwe, die ballerina’s die je al veel te lang hebt maar die zo lekker lopen en ook onder een rokje kunnen, hardloopschoenen voor als je ineens de geest krijgt, en natuurlijk je wandelschoenen voor als je de bergen in gaat. Alleen al voor schoenen heb je een extra tas nodig, en de kans is groot dat je op de plaats van bestemming ook nog schoenen wilt kopen, want er is daar een kiezelstrand en dan moet je waterschoenen aan, en ze verkopen espadrilles in alle kleuren en die kon je in Nederland nergens vinden, en iedereen blijkt van die leren Romeinse sandalen te dragen met van die bandjes tot boven je enkel (die je in Nederland zo lelijk vond maar hier, in deze omgeving, komen ze wel heel leuk uit) en ga zo maar door. Je kunt je voorstellen dat het inpakken van één koffer voor vier weken voor mensen zoals ik geen vrolijk begin van de vakantie is.
Vervolgens moet je de volgende dag in het holst van de nacht opstaan om op tijd op het vliegveld te zijn. Ik weet niet hoe het komt, maar volgens mij is Schiphol gesloten tussen twaalf uur ’s middags en twaalf uur ’s nachts, want je moet altijd op een onmogelijke tijd op om het vliegtuig te halen. Op zo’n tijdstip kan je ook niet met goed fatsoen aan vrienden of familie vragen om je even weg te brengen en dus ben je afhankelijk van een peperdure taxi. Het is een van mijn collega’s gebeurd dat de taxi vervolgens niet kwam opdagen en zij haar vliegtuig miste. Dat is ook een stressvrij begin van de vakantie. Als je lekker met de auto gaat kan dat in ieder geval niet gebeuren. Het kan natuurlijk dat je auto niet start, maar het missen van een vliegtuig zorgt toch voor beduidend meer vertraging. Als je dan op Schiphol aankomt moet je urenlang in de rij staan om je bagage in te checken. Wanneer dat dan eindelijk gebeurd is loop je nog twee uur te niksen bij de duty free shops, om daarna ondervraagd te worden bij de security (“Wat gaat u doen in Amerika? Heeft u uw ticket wel betaald?”) die daar ruimschoots de tijd voor neemt.
Mijn laatste vlucht was naar Amerika en de veiligheidsmaatregelen zijn verscherpt voor vluchten naar dit land. Dit betekende dat de security check twee keer zo lang duurde, maar toch begonnen de heren van Group 4 of Securitas of wat dan ook pas vlak voor de vlucht aan hun controle. Hierdoor had mijn eerste vlucht anderhalf uur vertraging, zodat ik in Chicago mijn aansluiting miste. Vervolgens werd ik in Chicago op een wachtlijst gezet voor een aansluitende vlucht. Op een schermpje kan je dan een lijst zien met het aantal mensen op de wachtlijst en het aantal beschikbare plaatsen. Een zenuwslopende toestand, maar nadat ik een paar keer buiten de boot viel had ik aan het eind van de avond een vlucht naar een ander vliegveld in de buurt. Mijn koffer was echter naar mijn oorspronkelijke bestemming gestuurd en mij werd geadviseerd om met de bus naar dit vliegveld te gaan om de koffer op te halen. Na veel omzwervingen op LAX (het meest overzichtelijke vliegveld van de Westerse wereld) vond ik eindelijk een busje dat mij naar het vliegveld kon brengen. Om half één ’s nachts kwam ik op het vliegveld aan en tot mijn verbazing was dit verlaten! Daar stond ik, moederziel alleen midden in de nacht op een leeg vliegveld. Dit was op zijn zachtst gezegd niet mijn finest hour. Gelukkig was daar een vriendelijke besnorde politieagent die voor mij een taxi heeft geregeld, anders was ik waarschijnlijk onder een stuk karton in slaap gevallen. Om twee uur ’s nachts kwam ik in mijn hotel aan, zonder koffer en met een enorme honger. De gebroeders Wright verwensend viel ik snikkend in slaap.
Nu heb ik het nog niet eens gehad over de sfeer in het vliegtuig, de temperatuur, de droge lucht, het gore eten, de irritante mensen, de beenruimte, de kosten, de jetlag, de luchtzakken en turbulentie, stinkende mensen, dikke mensen die half op je stoel zitten, kapotte koptelefoons en krijsende kinderen. Maar volgens mij heb ik mijn punt wel gemaakt. Volgende keer ga ik liever met de auto of de trein of zelfs met de fiets, van mij hoeft dit niet meer. Zuid-Frankrijk, here I come!
maandag 25 januari 2010
Mooie woordkeus
Vanochtend op het Journaal: "Dementen zijn een vergeten groep Nederlanders."
Onze gordijnen van de Hema
Afgelopen week schreef ik een stukje over mijn gebrek aan inspiratie. Dat gebrek aan inspiratie wordt, zo schreef ik, met name veroorzaakt door allerlei andere dingen die mij bezighouden in mijn leven. Naast een baan van meer dan veertig uur bestaat dat leven uit een heleboel dingen doen en regelen. Waaronder het aanschaffen van gordijnen. Dat aanschaffen van die gordijnen was ons begin november al gelukt. H kwam op het goede idee de gordijnen te bestellen toen de Hema daar een aanbieding voor had. En dus togen wij op een koopavond naar de Hema en kochten daar gordijnen, type Dallas. Met zo’n naam moest dat wel glamour worden in onze woonkamer. November verstreek, de kerst kwam en wij vroegen ons wel af wanneer we gebeld zouden worden dat de gordijnen er waren, maar echt tijd om er achteraan te gaan hadden we ook niet. In de loop van januari begonnen we toch een beetje bang te worden en dus zette ik het bellen van de Hema op één van mijn vele to-do-lijstjes. En toen schreef ik er in een column over, hier.
Afgelopen vrijdag werd er op die column gereageerd door de Hema Consumentenservice. H belde mij op om mij het nieuws te vertellen. Ik bezocht de site en vond daar deze reactie:
“Beste Eef, Vandaag lazen wij je column, waarin je aangaf dat je nog wacht op gordijnen die je twee maanden geleden hebt besteld bij de HEMA. Wij willen je graag hierbij helpen. Via de link http://www.hema.nl/nl-NL/home/klantenservice.aspx?navmethod=topnav kom je op onze klantenservice-pagina. Vul je daar "blog van eef" in, dan kunnen we contact met je opnemen. Met vriendelijke groet, Martijn Wuister, HEMA Consumentenservice”
Nou, dat was nog eens attent van de Hema. Het was al één van mijn favoriete winkels, maar nu kwam hij wel heel erg in de buurt van een lievelingswinkel.
Ik weet dat er mensen zijn die professioneel het internet afstruinen op zoek naar klachten over hun bedrijf. Het schijnt dat vooral internetproviders dit doen. Die mengen zich dan op fora van bijvoorbeeld een programma als Kassa (bah) en gaan boze klanten helpen die dan vervolgens een positief berichtje posten over dat bedrijf. Maar dat de Hema dit ook deed? Dat heeft de Hema toch helemaal niet nodig? Of doen ze dit zo goed dat het daarom lijkt alsof ze het niet nodig hebben?
Caar merkte op dat het haar een geweldig beroep lijkt, professioneel ‘googelaar’. Mij lijkt het alleen leuk onder een schuilnaam, want op hoeveel blogs en fora zou Martijn Wuister nu staan? Ok, ik heb meteen maar even gegoogeld en er zijn volgens mij nogal veel jongens met die naam…
Maar ik deed dus wat mij werd opgedragen en surfde naar de website van de Hema en vulde daar ‘blog van eef’ in. Wat er toen gebeurde bezorgde mij een Eagle Eye – achtige ervaring. Heeft iemand die film gezien? Jammer van Shia LeBoeuf maar verder een hele fijne-vrijdagavond-film-met-een-biertje-en-patat. Maar goed, mijn eigen Eagle Eye, Martijn Wuister, had voor mij een berichtje achtergelaten óp de website van de Klantenservice van de Hema. Er stond dit:
“Beste Eef, Bedankt dat je contact met ons wilt opnemen zodat wij jou kunnen helpen met je probleem. Klik hier om op het reactieformulier te komen, waar je je gegevens kunt achterlaten. Wij zullen dan zo snel mogelijk proberen je van dienst te zijn. Met vriendelijke groet, HEMA Consumentenservice.”
En dus vulde ik het formuliertje in. Ik bedankte de Hema voor de attente reactie en legde uit dat ik de dag ervoor juist was langs geweest bij de Hema (ik moest toch panties, een perforator en een plakbandroller hebben) en dat een uiterst vriendelijk, mank lopend meisje (ok, dat mailde ik niet naar Martijn) mij had geholpen en had verteld dat er vertraging was bij het naaiatelier en dat onze gordijnen vast over een week of twee zouden arriveren. Ik beloofde de mensen van de Klantenservice verder dat ik misschien deze week nog wel een leuk stukje over die gordijnen zou schrijven. Nou bij deze dus…
Afgelopen vrijdag werd er op die column gereageerd door de Hema Consumentenservice. H belde mij op om mij het nieuws te vertellen. Ik bezocht de site en vond daar deze reactie:
“Beste Eef, Vandaag lazen wij je column, waarin je aangaf dat je nog wacht op gordijnen die je twee maanden geleden hebt besteld bij de HEMA. Wij willen je graag hierbij helpen. Via de link http://www.hema.nl/nl-NL/home/klantenservice.aspx?navmethod=topnav kom je op onze klantenservice-pagina. Vul je daar "blog van eef" in, dan kunnen we contact met je opnemen. Met vriendelijke groet, Martijn Wuister, HEMA Consumentenservice”
Nou, dat was nog eens attent van de Hema. Het was al één van mijn favoriete winkels, maar nu kwam hij wel heel erg in de buurt van een lievelingswinkel.
Ik weet dat er mensen zijn die professioneel het internet afstruinen op zoek naar klachten over hun bedrijf. Het schijnt dat vooral internetproviders dit doen. Die mengen zich dan op fora van bijvoorbeeld een programma als Kassa (bah) en gaan boze klanten helpen die dan vervolgens een positief berichtje posten over dat bedrijf. Maar dat de Hema dit ook deed? Dat heeft de Hema toch helemaal niet nodig? Of doen ze dit zo goed dat het daarom lijkt alsof ze het niet nodig hebben?
Caar merkte op dat het haar een geweldig beroep lijkt, professioneel ‘googelaar’. Mij lijkt het alleen leuk onder een schuilnaam, want op hoeveel blogs en fora zou Martijn Wuister nu staan? Ok, ik heb meteen maar even gegoogeld en er zijn volgens mij nogal veel jongens met die naam…
Maar ik deed dus wat mij werd opgedragen en surfde naar de website van de Hema en vulde daar ‘blog van eef’ in. Wat er toen gebeurde bezorgde mij een Eagle Eye – achtige ervaring. Heeft iemand die film gezien? Jammer van Shia LeBoeuf maar verder een hele fijne-vrijdagavond-film-met-een-biertje-en-patat. Maar goed, mijn eigen Eagle Eye, Martijn Wuister, had voor mij een berichtje achtergelaten óp de website van de Klantenservice van de Hema. Er stond dit:
“Beste Eef, Bedankt dat je contact met ons wilt opnemen zodat wij jou kunnen helpen met je probleem. Klik hier om op het reactieformulier te komen, waar je je gegevens kunt achterlaten. Wij zullen dan zo snel mogelijk proberen je van dienst te zijn. Met vriendelijke groet, HEMA Consumentenservice.”
En dus vulde ik het formuliertje in. Ik bedankte de Hema voor de attente reactie en legde uit dat ik de dag ervoor juist was langs geweest bij de Hema (ik moest toch panties, een perforator en een plakbandroller hebben) en dat een uiterst vriendelijk, mank lopend meisje (ok, dat mailde ik niet naar Martijn) mij had geholpen en had verteld dat er vertraging was bij het naaiatelier en dat onze gordijnen vast over een week of twee zouden arriveren. Ik beloofde de mensen van de Klantenservice verder dat ik misschien deze week nog wel een leuk stukje over die gordijnen zou schrijven. Nou bij deze dus…
vrijdag 22 januari 2010
Afleiding
Al een paar dagen ben ik hard aan het studeren. En soms heb ik dan, ergens halverwege de middag, behoefte aan wat afleiding. En dan bieden Mel en Kim uitkomst.
Ambigu
Op nu.nl las ik zojuist de kop "Cocaïnesmokkel met ananassen onderschept". Toch fijn dat ananassen ook gebruikt worden om de misdaad te bestrijden. Het volledige bericht lees je hier.
Dit soort ambigu taalgebruik staat ook altijd op de achterkant van tijdschrift Onze Taal, een van de redenen dat ik nog steeds een abonnement heb en het enige artikel dat ik elke aflevering lees.
Dit soort ambigu taalgebruik staat ook altijd op de achterkant van tijdschrift Onze Taal, een van de redenen dat ik nog steeds een abonnement heb en het enige artikel dat ik elke aflevering lees.
Je moet doen waar je goed in bent
Bovenstaand credo geloof ik heilig in, je moet doen waar je goed in bent. Ik denk dat ik dit voor het eerst ontdekte op de lagere school. Ja, ik was er al vroeg bij met m’n diepe inzichten. Het was tijdens de gymles. Deed ik met de balspellen enthousiast mee, als er een toestel tevoorschijn werd gehaald stond ik ineens achteraan in de rij. Turnen was nu eenmaal, om het maar in het lelijkste Nederlands te zeggen, niet mijn ding. En ik wilde gewoon lekker mijn ding doen. Het resultaat was dat ik tijdens het turnen altijd met drie andere a-motorische kinderen de koprol op de dikke mat moest doen. Nog steeds heb ik af en toe angstdromen waarin ik in volle vaart op de houten springplank (alsof zo’n stukje triplex je enige vering geeft) en de hoge kast af ren. Naast de hoge kast staat de gymleraar aan de ene kant en aan de andere kant een klasgenoot die een kop kleiner is dan ik. Deze dwerg moet mij helpen bij mijn salto over de kast. Ik ren, maar op het laatste moment wijk ik uit, net als vroeger in de gymzaal. Altijd week ik uit. Want ik wist dat mijn klasgenoot van dwergformaat mij niet over de kast kon laten salto-en. Eerder zou ik hem na slechts een kwart van de gehele salto verpletteren. In deze situatie dacht ik ook een van mijn eerste Louis van Gaal-ismen: “Zijn jullie nou zo dom, of ben ik zo slim?” De gymleraar, een volwassen man met oneindig meer levenservaring dan ik, zou toch moeten inzien dat iemand zonder enig atletisch talent, bij een dergelijke onderneming op geen enkele manier geholpen is door een houten plank en een dwerg?? De situatie zorgde ervoor dat ik op jonge leeftijd doodsbang werd van alles wat met turnen te maken had. Ik was er niet goed in, ik werd bang en ik begon de indoor gymles te haten. Outdoor daarentegen vond ik prachtig, want dat betekende veel balspellen en hardlopen. Zo leerde ik me al vroeg te focussen op waar ik goed in ben. Want waar je goed in bent, dat vind je leuk. (Uitzonderingen daargelaten. Als ik er ineens achter zou komen dat ik heel goed in genocide zou zijn, vraag ik me af of ik het ook echt leuk zou gaan vinden.)
Dit brengt me tot een van mijn grootste hobby’s. Ik ben er goed in, het kan overal, het is leuk en ontspannend, je zou bijna zeggen dat ik niet meer zonder kan: Slapen. Ik denk dat het in mijn geval een aangeboren talent is. Als ik mijn ouders moet geloven was ik zeker geen huilbaby en sliep ik van kleins af aan al de nachten door. Nog steeds kost het me doorgaans geen enkele moeite om ‘s nachts in slaap te vallen; ik draai me om en ik ben weg. Meer moeite heb ik met wakker blijven. Als kind hebben mijn ouders mij heel Europa door gesleurd, maar daar heb ik niks van meegekregen doordat ik in de bloedhitte achter in de auto lag te slapen. Mijn broer weet nog heel goed hoe de Gorges du Verdon er uitzien, ik weet nog heel goed dat ik na die rit wakker werd met een stijve nek en een droge mond. Ik heb in die tijd aan heel veel mensen op de Franse snelweg mijn huig getoond.
Sindsdien is er weinig veranderd. Als ik niet oppas breng ik nog steeds grote delen van mijn vakanties slapend door. Ik heb gewoon veel slaap nodig en geef graag toe aan die behoefte, maar de meneer vindt dat niet zo gezellig. Hij geeft mij telkens wanneer hij in zijn ooghoek mijn hoofd ziet wankelen een por in de zij. Ik heb het eens gepresteerd om op de oprit naar de snelweg, 250 meter van ons huis, al te slapen, dus dat beloofde een gezellige rit te worden. De muziek harder zetten helpt ook niet. Dat is namelijk precies wat ik doe als ik in het vliegtuig wil slapen.
Overigens kon ik afgelopen november tijdens onze vlucht naar Tokyo de slaap niet vatten (voor alles een eerste keer) en heb ik maar gelezen en films gekeken. Op het vliegveld stortte ik in, er kwam geen woord meer uit, en op een bankje dreigde ik in innige verstrengeling met de handbagage in coma te vallen. De meneer heeft daar, op Tokyo Narita, iets prachtigs ontdekt: hotelkamers per uur. En dan geen hotelkamers met rode verlichting en dubieuze spreien, maar keurige kamers die er voor bedoeld waren om vermoeide reizigers een paar uurtjes slaap te bieden. Een fantastisch concept. Na drie uur slapen was ik weer helemaal fris en fruitig. Ik pleit er nu dus voor dat meer vliegvelden deze service bieden en wil graag nog iets verder gaan. Wat te denken van hotelkamers per uur in een winkelstraat? Ik zou best na een paar uur van winkel naar winkel even voor twee tientjes een paar uur willen slapen, om vervolgens nog een paar uurtjes door te kunnen gaan. Of beter nog: een slaapkamer op werk. Gewoon tussendoor even een uurtje de oogjes dicht en dan weer door. Het zou voor mij een uitkomst zijn en ik denk niet dat ik de enige ben. Een collega vertelde namelijk dat een Chinese stagiaire het eens gepresteerd heeft om tussen de middag onder haar bureau zich in de foetushouding op te rollen en een uurtje te slapen. Je begrijpt dat ik hier stikjaloers op ben, want dat durf ik niet, slapen op werk. Ik heb dat wel eens gedaan, maar dat was toen ik als telefoniste bij een kastenbedrijf werkte en er niemand belde.
Aangezien ik zo dol ben op slapen heb ik er natuurlijk over nagedacht of ik van mijn hobby niet mijn werk kon maken, in het kader van: je moet doen waar je goed in bent. In de krant staan soms oproepen voor mensen die mee willen doen aan medisch onderzoek naar slaap, maar dat gaat dan vooral om apneu en daar ben ik dan weer niet geschikt voor. Nee, mijn ideale baan zou toch wel matrassentester zijn. Ik heb daar helaas nog nooit een vacature voor gezien. Misschien moet ik eens een open sollicitatie schrijven naar Hästens of Auping. Want ik denk dat wij wel iets voor elkaar kunnen betekenen. En misschien ga ik dan ook eens een keer uitgerust op vakantie!
Dit brengt me tot een van mijn grootste hobby’s. Ik ben er goed in, het kan overal, het is leuk en ontspannend, je zou bijna zeggen dat ik niet meer zonder kan: Slapen. Ik denk dat het in mijn geval een aangeboren talent is. Als ik mijn ouders moet geloven was ik zeker geen huilbaby en sliep ik van kleins af aan al de nachten door. Nog steeds kost het me doorgaans geen enkele moeite om ‘s nachts in slaap te vallen; ik draai me om en ik ben weg. Meer moeite heb ik met wakker blijven. Als kind hebben mijn ouders mij heel Europa door gesleurd, maar daar heb ik niks van meegekregen doordat ik in de bloedhitte achter in de auto lag te slapen. Mijn broer weet nog heel goed hoe de Gorges du Verdon er uitzien, ik weet nog heel goed dat ik na die rit wakker werd met een stijve nek en een droge mond. Ik heb in die tijd aan heel veel mensen op de Franse snelweg mijn huig getoond.
Sindsdien is er weinig veranderd. Als ik niet oppas breng ik nog steeds grote delen van mijn vakanties slapend door. Ik heb gewoon veel slaap nodig en geef graag toe aan die behoefte, maar de meneer vindt dat niet zo gezellig. Hij geeft mij telkens wanneer hij in zijn ooghoek mijn hoofd ziet wankelen een por in de zij. Ik heb het eens gepresteerd om op de oprit naar de snelweg, 250 meter van ons huis, al te slapen, dus dat beloofde een gezellige rit te worden. De muziek harder zetten helpt ook niet. Dat is namelijk precies wat ik doe als ik in het vliegtuig wil slapen.
Overigens kon ik afgelopen november tijdens onze vlucht naar Tokyo de slaap niet vatten (voor alles een eerste keer) en heb ik maar gelezen en films gekeken. Op het vliegveld stortte ik in, er kwam geen woord meer uit, en op een bankje dreigde ik in innige verstrengeling met de handbagage in coma te vallen. De meneer heeft daar, op Tokyo Narita, iets prachtigs ontdekt: hotelkamers per uur. En dan geen hotelkamers met rode verlichting en dubieuze spreien, maar keurige kamers die er voor bedoeld waren om vermoeide reizigers een paar uurtjes slaap te bieden. Een fantastisch concept. Na drie uur slapen was ik weer helemaal fris en fruitig. Ik pleit er nu dus voor dat meer vliegvelden deze service bieden en wil graag nog iets verder gaan. Wat te denken van hotelkamers per uur in een winkelstraat? Ik zou best na een paar uur van winkel naar winkel even voor twee tientjes een paar uur willen slapen, om vervolgens nog een paar uurtjes door te kunnen gaan. Of beter nog: een slaapkamer op werk. Gewoon tussendoor even een uurtje de oogjes dicht en dan weer door. Het zou voor mij een uitkomst zijn en ik denk niet dat ik de enige ben. Een collega vertelde namelijk dat een Chinese stagiaire het eens gepresteerd heeft om tussen de middag onder haar bureau zich in de foetushouding op te rollen en een uurtje te slapen. Je begrijpt dat ik hier stikjaloers op ben, want dat durf ik niet, slapen op werk. Ik heb dat wel eens gedaan, maar dat was toen ik als telefoniste bij een kastenbedrijf werkte en er niemand belde.
Aangezien ik zo dol ben op slapen heb ik er natuurlijk over nagedacht of ik van mijn hobby niet mijn werk kon maken, in het kader van: je moet doen waar je goed in bent. In de krant staan soms oproepen voor mensen die mee willen doen aan medisch onderzoek naar slaap, maar dat gaat dan vooral om apneu en daar ben ik dan weer niet geschikt voor. Nee, mijn ideale baan zou toch wel matrassentester zijn. Ik heb daar helaas nog nooit een vacature voor gezien. Misschien moet ik eens een open sollicitatie schrijven naar Hästens of Auping. Want ik denk dat wij wel iets voor elkaar kunnen betekenen. En misschien ga ik dan ook eens een keer uitgerust op vakantie!
Labels:
Caar,
Column,
Vakantie,
Verkeer en vervoer,
Vroegâh
donderdag 21 januari 2010
Just browsing
Boven deze blog staat de knop 'volgende blog' en daar druk ik voor de grap weleens op, om te zien hoe anderen hun plek op het web invullen. Vandaag vestig ik graag de aandacht op de weblog van Dikker en Thijs, twee in Florida wonende Nederlanders van middelbare leeftijd. Op hun site staan foto's, persoonlijke verhalen over hun vrienden, hun gewicht en hun familie, en in de laatste post staat zelfs hun adres vermeld. Het leken mij wel gezellige mensen.
Abonneren op:
Posts (Atom)