De blogs die Caar en ik vorige week over onze relatie met eten schreven kregen nogal wat reacties. Op het blog zelf, op Facebook en in de wandelgangen. En tot mijn verbazing bleek uit die reacties veel herkenning. Ik dacht werkelijk dat ik op mijn eetgestoorde eiland voedselfreak zat te spelen, maar blijkbaar ben ik niet de enige. Verontrustend eigenlijk.
Ik heb getwijfeld of ik die tekst afgelopen week zou plaatsen, te kwetsbaar en eerlijkgezegd heb ik nog niet eens het achterste van de tong laten zien. Het blog achtervolgde me deze week nog en de reacties bleven in mijn hoofd rondspoken. Daarom vandaag nog een beetje verder. Over vet dat wel in je hoofd zit maar niet op je heupen.
Toen mijn moeder me drie weken voor de uitgerekende datum bijna uit het kraambed lanceerde, werd ik direct in een deken van aluminiumfolie naar de couveuse in het ziekenhuis gebracht. Te klein. Te blauw. Te licht. Het ging allemaal goed. Tot een jaar of 5. Opeens leek het alsof al dat babyvet weer terugkwam. In veelvoud. En dan over mijn hele lijf. Er zijn geen schattige foto's van mijn basisschooltijd want overal zie ik er, afhankelijk van het kapsel, uit als een junior sumoworstelkampioen (neee oma, zeker niet die in dat turnpakje laten zien). De middelbare was niet beter, de eerste foto met mijn jaarclub al helemaal niet.
De afvalrace begon op mijn 22e, en na een jaar was ik 20kg kwijt. Later gingen er nog eens 5 af. Vandaag ben ik 30. Dat betekent dat ik voor het grootste deel van mijn leven te zwaar ben geweest. Nu voelt het beter dan ooit, ik voel me fit en gezond. Het enige dat niet weggaat is het vet in mijn hoofd.
Dit vet is verraderlijk. Het zorgt ervoor dat je in een winkel toch een broek pakt die in het pashokje van je kont blijkt te zakken. Maat 38 bij je bips, en je oude maat in je hoofd. Ik weet gewoon nog steeds niet hoe maat 38 eruit ziet. Het vet zorgt er ook voor dat je er aan moet wennen dat je de gordel van de auto niet meer zoveer hoeft uit te trekken, maar dat je bij het instappen toch nog steeds een flinke snok geeft. Of dat je vergeet dat je best een rok aankan zonder dat je schuurplekken bij je benen krijgt.
Het vet zorgt er ook voor dat je het niet gelooft wanneer een collega, die je altijd sportief en slank hebt gevonden, vertelt dat ze meer weegt dan jij. Of dat je je verbaast als je tijdens zumba realiseert dat jouw eigen kont de kleinste van het sportklasje is. Het lijkt wel alsof dit vet niet weg te trainen is. R2 noemt het fantoomspek. Ik noem het een soort onrealistisch kwab-beeld. Hoe dan ook, het nepvet neemt teveel plaats in mijn hoofd in.
Posts tonen met het label ouder worden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ouder worden. Alle posts tonen
vrijdag 15 juni 2012
Vet in je hoofd
donderdag 3 mei 2012
Digitale koeien melken
Dit is een gastcolumn van gastcolumnist Doortje
“Hier is ie dan, jullie 23e achterkleinkind”, zegt manlief H. trots. We zijn op een soort omgekeerde kraamvisite bij zijn opa en oma. Terwijl opa thee gaat halen, vertelt oma dat het steeds moeilijker wordt om al die namen te onthouden; er blijven maar nieuwe bij komen… De naam van onze spruit kenden ze alleen nog als hondennaam, en de naam van kleinkind numero 24, die van de week is geboren, hadden ze helemaal nog nooit gehoord. “Maar die naam komt voor in de Bijbel, hoor!” zegt H., "Kijk maar!”
Oma kijkt verbaasd toe hoe H. op het scherm van zijn iPhone begint te tikken. "Kan je dat daarop lezen?!”
“Ja, hier heb ik het al.” Opa komt net binnen met de thee, en oma roept uit: “Kijk dan, er staat gewoon een hele Bijbel op dat ding!”
“Goh…” zegt opa.
“Zal ik een foto maken voor in het kraambezoekboek?” zegt H. even later, terwijl hij zijn telefoon weer pakt. “Kan dat ook al met dat ding?!” Oma’s verbazing stijgt. H. laat trots de fotootjes zien die we de afgelopen weken hebben gemaakt. Oma is zeer verbaasd dat dat daar allemaal zomaar op past, en nog meer als na het aanzetten van de fotocamera-functie een bewegende opa op het scherm verschijnt. H. wordt steeds enthousiaster en laat ook nog even zien hoe je de camera kan ‘omdraaien’, zodat je een foto van jezelf kan maken. Oma vindt het prachtig, en even later zijn opa en oma fanatiek digitale koeien aan het melken.
“En dan kan je er ook nog mee bellen” zeg ik lachend.
“Kan je hier mee bellen?!?!” roept oma verbaasd uit.
En ineens vraag ik me af hoe de wereld eruit zal zien als onze zoon ooit achterkleinkinderen krijgt. Zou de technologie de komende tachtig jaar net zo’n ontwikkeling maken als de afgelopen tachtig jaar? Opa moest op de fiets naar de dokter terwijl zijn vrouw lag te bevallen. En toen een paar jaar later zijn buurman een telefoon had, moest hij buiten gaan staan zwaaien terwijl vrouwlief binnen lag te puffen, want de dokter kon hun huis niet vinden… Zullen onze achterkleinkinderen ook ooit medelijdend aanhoren hoe wij dat ‘vroeger’ deden zonder al hún moderne technologie? Of zullen ze juist hoofdschuddend aanhoren hoe afhankelijk wij waren van elektriciteit, internet en straling… Stiekem hoop ik op dat laatste. En misschien hoop ik ook wel een beetje dat ze net als opa en oma ooit zullen lachen om het feit dat wij in 2012 over een ‘economische crisis’ spraken.
“Crisis?!” aldus opa, “Mensen weten niet eens meer wat crisis is!” En zo is het.
“Hier is ie dan, jullie 23e achterkleinkind”, zegt manlief H. trots. We zijn op een soort omgekeerde kraamvisite bij zijn opa en oma. Terwijl opa thee gaat halen, vertelt oma dat het steeds moeilijker wordt om al die namen te onthouden; er blijven maar nieuwe bij komen… De naam van onze spruit kenden ze alleen nog als hondennaam, en de naam van kleinkind numero 24, die van de week is geboren, hadden ze helemaal nog nooit gehoord. “Maar die naam komt voor in de Bijbel, hoor!” zegt H., "Kijk maar!”
Oma kijkt verbaasd toe hoe H. op het scherm van zijn iPhone begint te tikken. "Kan je dat daarop lezen?!”
“Ja, hier heb ik het al.” Opa komt net binnen met de thee, en oma roept uit: “Kijk dan, er staat gewoon een hele Bijbel op dat ding!”
“Goh…” zegt opa.
“Zal ik een foto maken voor in het kraambezoekboek?” zegt H. even later, terwijl hij zijn telefoon weer pakt. “Kan dat ook al met dat ding?!” Oma’s verbazing stijgt. H. laat trots de fotootjes zien die we de afgelopen weken hebben gemaakt. Oma is zeer verbaasd dat dat daar allemaal zomaar op past, en nog meer als na het aanzetten van de fotocamera-functie een bewegende opa op het scherm verschijnt. H. wordt steeds enthousiaster en laat ook nog even zien hoe je de camera kan ‘omdraaien’, zodat je een foto van jezelf kan maken. Oma vindt het prachtig, en even later zijn opa en oma fanatiek digitale koeien aan het melken.
“En dan kan je er ook nog mee bellen” zeg ik lachend.
“Kan je hier mee bellen?!?!” roept oma verbaasd uit.
En ineens vraag ik me af hoe de wereld eruit zal zien als onze zoon ooit achterkleinkinderen krijgt. Zou de technologie de komende tachtig jaar net zo’n ontwikkeling maken als de afgelopen tachtig jaar? Opa moest op de fiets naar de dokter terwijl zijn vrouw lag te bevallen. En toen een paar jaar later zijn buurman een telefoon had, moest hij buiten gaan staan zwaaien terwijl vrouwlief binnen lag te puffen, want de dokter kon hun huis niet vinden… Zullen onze achterkleinkinderen ook ooit medelijdend aanhoren hoe wij dat ‘vroeger’ deden zonder al hún moderne technologie? Of zullen ze juist hoofdschuddend aanhoren hoe afhankelijk wij waren van elektriciteit, internet en straling… Stiekem hoop ik op dat laatste. En misschien hoop ik ook wel een beetje dat ze net als opa en oma ooit zullen lachen om het feit dat wij in 2012 over een ‘economische crisis’ spraken.
“Crisis?!” aldus opa, “Mensen weten niet eens meer wat crisis is!” En zo is het.
Labels:
Baby's e.d.,
Doortje,
familie,
Gastcolumn,
Gesprek,
iPhone,
ouder worden,
smartphone
woensdag 22 februari 2012
Acceptatieprobleem
Dit is een gastcolumn van Eef, die tegenwoordig gastcolumnist is
Onlangs zat ik op mijn werk aan mij bureau. Het was half tien ‘s ochtends. Een collega kwam binnenlopen en vroeg vertwijfeld of ik nu al met mijn hoofd op mijn bureau aan het bonken was. Ter verduidelijking, ik doe dat spreekwoordelijk wel eens. Als ik met een moeilijk probleem zit of net een reeks aan cryptische, management-procesachtige (voor)overlegjes heb gehad. Dan zeg ik na afloop tegen die collega dat ik even naar mijn kamer moet om met mijn hoofd ergens tegen aan te bonken.
Helaas, ik moet echt zeggen helaas, was dit op dat moment echter niet het geval. Sowieso heb ik nog nooit echt ergens met mijn hoofd tegenaan gebonkt. Niet bewust althans, of met opzet. Meestal haal ik op radeloze momenten een kop koffie en ga stug verder met werken. Op het bewuste moment dat mijn collega binnenkwam zat ik voorovergebogen over mijn mobiele telefoon. Met bril. En omdat ik nog steeds niet veel zag boog ik steeds verder voorover en tuurde ik naar de kleine letters op mijn kleine beeldschermpje. En dus dacht mijn collega dat het niet goed met me ging.
Dat bracht ons gesprek op oud worden. Ik zie eigenlijk vrij weinig zonder bril. Maar toch heb ik mijn bril alleen op als het echt nodig is. Op andere momenten loop ik half blind en zonder bril rond. Dat heeft te maken met ijdelheid en met het feit dat ik niet in staat ben lenzen bij mezelf in te doen. Ik accepteer op sommige momenten dat ik oud word en op andere momenten accepteer ik dat ik dingen niet zie en mensen niet herken. Ik bevind mijzelf waarschijnlijk in de twilightzone van de acceptatie van het verval.
Want dat verval heeft nu daadwerkelijk ingezet. Ik krijg rimpels, ik heb mijn slaap hard nodig en ik word grijs. Ik stond een paar weken geleden voor de spiegel en zag bij mijn slapen en bovenop mijn hoofd duidelijke plukken grijs haar. En omdat ik blond ben valt het mensen minder op. Maar ik heb het verval zien intreden. Ook zonder bril.
Ik heb moeite om het te accepteren. Ik zou denk ik nog liever met mijn hoofd tegen mijn bureau bonken dan oud worden. Maar als ik maar hard genoeg bonk word ik sowieso niet heel oud. Heb ik ook geen acceptatieproblemen meer.
Onlangs zat ik op mijn werk aan mij bureau. Het was half tien ‘s ochtends. Een collega kwam binnenlopen en vroeg vertwijfeld of ik nu al met mijn hoofd op mijn bureau aan het bonken was. Ter verduidelijking, ik doe dat spreekwoordelijk wel eens. Als ik met een moeilijk probleem zit of net een reeks aan cryptische, management-procesachtige (voor)overlegjes heb gehad. Dan zeg ik na afloop tegen die collega dat ik even naar mijn kamer moet om met mijn hoofd ergens tegen aan te bonken.
Helaas, ik moet echt zeggen helaas, was dit op dat moment echter niet het geval. Sowieso heb ik nog nooit echt ergens met mijn hoofd tegenaan gebonkt. Niet bewust althans, of met opzet. Meestal haal ik op radeloze momenten een kop koffie en ga stug verder met werken. Op het bewuste moment dat mijn collega binnenkwam zat ik voorovergebogen over mijn mobiele telefoon. Met bril. En omdat ik nog steeds niet veel zag boog ik steeds verder voorover en tuurde ik naar de kleine letters op mijn kleine beeldschermpje. En dus dacht mijn collega dat het niet goed met me ging.
Dat bracht ons gesprek op oud worden. Ik zie eigenlijk vrij weinig zonder bril. Maar toch heb ik mijn bril alleen op als het echt nodig is. Op andere momenten loop ik half blind en zonder bril rond. Dat heeft te maken met ijdelheid en met het feit dat ik niet in staat ben lenzen bij mezelf in te doen. Ik accepteer op sommige momenten dat ik oud word en op andere momenten accepteer ik dat ik dingen niet zie en mensen niet herken. Ik bevind mijzelf waarschijnlijk in de twilightzone van de acceptatie van het verval.
Want dat verval heeft nu daadwerkelijk ingezet. Ik krijg rimpels, ik heb mijn slaap hard nodig en ik word grijs. Ik stond een paar weken geleden voor de spiegel en zag bij mijn slapen en bovenop mijn hoofd duidelijke plukken grijs haar. En omdat ik blond ben valt het mensen minder op. Maar ik heb het verval zien intreden. Ook zonder bril.
Ik heb moeite om het te accepteren. Ik zou denk ik nog liever met mijn hoofd tegen mijn bureau bonken dan oud worden. Maar als ik maar hard genoeg bonk word ik sowieso niet heel oud. Heb ik ook geen acceptatieproblemen meer.
Abonneren op:
Reacties (Atom)